Hoogwaardige geheime oorlogsfoto's

[Over Charles Breijer, 'Meneer, dat mag u niet fotograferen', in: Verzetsmuseum Friesland, Leeuwarden]

Onscherp, met veel overtollige voorgrond en in het beeld hangende jaspanden: dat is de overheersende sfeer van straatfotografie tijdens de bezettingsjaren. Weliswaar werd het buitenshuis maken van foto's pas in november 1944 door de Duitsers officieel verboden, ook voordien het was beter niet in het oog te lopen met een camera.
De eerste foto in Charles Breijers tentoonstelling 'Meneer, dat mag u niet fotograferen' roept deze stiekeme sfeer in herinnering. De foto, gemaakt in Amsterdam, toont de bewaking van door Duitse officieren bewoonde villa's. Minstens de helft van de foto bestaat uit voorgrond waarop zich zich de lange schaduw aftekent van een lantaarnpaal en een fiets. Een man in een lange winterjas staat voorover gebogen over de fietstas: de fotograaf die zichzelf al rommelend aan de instelling van zijn verborgen camera zonder het te weten mee fotografeerde.
Breijer heeft vanaf het begin van de oorlog op straat gefotografeerd, en maakte evenals bijvoorbeeld Ad Windig en Cas Oorthuys deel uit van de door Fritz Kahlenberg opgerichte fotografengroep Nederland Archief, nadien bekend geworden onder de naam De Ondergedoken Camera. Toch is zijn werk in tegenstelling tot dat van anderen nogal in de vergetelheid geraakt, waarschijnlijk doordat hij na de oorlog niet als fotograaf maar als filmer doorgegaan is.
Hoe onterecht die geringe erkenning is bewijzen de ruim 40 foto's die momenteel te zien zijn in het bescheiden Verzetsmuseum Friesland in Leeuwarden. Ze geven een naar omstandigheden breed beeld van Amsterdam tijdens de bezettingsjaren, en zijn ondanks die omstandigheden technisch en beeldend van hoge kwaliteit. Opvallend is de grote bedrevenheid van Breijer in het werken met een verborgen camera: de foto van de villa is een van de weinigen waaraan je kunt afzien dat ze in het geheim werd gemaakt.
Breijer (1914) was vanaf 1937 in dienst van de Arbeiderspers en werkte als fotograaf onder meer voor dagblad Het (na de oorlog Vrije) Volk. In februari 1942 laat hij zich noodgedwongen registreren bij het Persgilde om te kunnen blijven werken en zich van een dekmantel te verzekeren voor zijn verzetswerk: hij maakte pasfoto's voor valse persoonsbewijzen en maakte deel uit van de Stanz-groep (stootgroep Amsterdam Nieuw-Zuid).
In zijn vrije tijd struint hij door Amsterdam en registreert het moeizame dagelijks leven: het prikkkeldraad rond de Nieuwmarkt, een taxi met gascilinders op de kofferbak, een fiets met wielen van een autoped, het aren rapen na de oogst in de Haarlemmermeerpolder, een opstootje op de zwarte markt. Het zijn zakelijke foto's die getuigen van het enige doel waarmee hij ze maakte: het nageslacht te kunnen tonen hoe het was.
Naarmate de bevrijding naderbij komt gaat Breijer openlijker te werk. Eenmaal gebruikt hij zelfs een flits, en als hij in 1945 in de Tesselschadestraat een bij een bomaanslag in brand gevlogen vrachtwagen fotografeert, haalt hij de camera gewoon uit de fietstas: een jongetje ziet hem aan het werk en maakt de opmerking die nu als titel van de tentoonstelling dient.
In de winter van 1943 gaat hij de stad in om wat 'romantische plaatjes' van de sneeuw te maken, vertelt Breijer op de walkman waarmee de bezoeker het verhaal achter de foto's te horen krijgt. Op de hoek van de Keizersgracht en de Leidsestraat fotografeert hij de bloemenverkoper. Pas bij het afdrukken ontdekte hij een voorbijlopende Duitse officier: hij was zo gewend geraakt aan militairen dat hij hem bij het afdrukken over het hoofd had gezien. Nadien blijkt het dan een tijdsdocument zegt Breijer.
Het kenmerkende voor zijn werk is dat juist ook het omgekeerde waar is: zijn beste foto's zijn tijdsdocumenten die nadien van bijna tijdloze waarde bleken.
In de hongerwinter fotografeert hij op de Haarlemmerweg een moeder met haar twee kinderen, leunend tegen een met matrassen, pannen en suikerbieten beladen handkar. Alle drie zijn ze op hun eigen manier in zichzelf gekeerd: het meisje gespannen, de jongen bijna nonchalant, de moeder met vermoeid gesloten ogen.
Een paar maanden later fotografeert Breijer op de binnenplaats van het huis van bewaring aan de Amstelveensweg een van collaboratie verdachte restaurant-eigenaar: een kleine kalende man met een vertrokken gezicht staande tussen triomfantelijk grijnzende leden van de Ordedienst. Het contrast van die gezichtsuitdrukkingen roept ondanks de feiten nu gemengde gevoelens op, maar zelden zullen angst en wanhoop zo zichtbaar gefotografeerd zijn.
Het zijn foto's die behoren tot de hoogtepunten van de Nederlandse fotografie tijdens de bezetting. [in: NRC Handelsblad, 4mei1994]