Nederlands Foto Instituut: programma voor een breed publiek

ROTTERDAM, 28 MAART. Minister Hedy d'Ancona van WVC opent woensdag in Rotterdam het Nederlands Foto Instituut (NFI). Het NFI, gevestigd in het voormalige pand van de Nederlandse Dagblad Unie aan de Witte de Withstraat, moet uitgroeien tot dé ontmoetingsplaats voor fotografen, opdrachtgevers en publiek in Nederland.
 
In het nieuwe onderkomen zijn dan tevens het Nederlands Fotoarchief (NFa) en het Nederlands Fotorestauratie Atelier gevestigd. Het NFa beheert, ontsluit, conserveert en exploiteert de negatievenarchieven van een vijftigtal Nederlandse fotografen. Het restauratieatelier, opgericht in 1991 in het kader van het Deltaplan voor Cultuurbehoud, houdt zich bezig met het conserveren van historisch fotografisch materiaal.
Het is een publiek geheim dat de minister van WVC de drie instellingen het liefst op korte termijn zou zien fuseren. Het archief en het restauratieatelier voelen daar voorlopig niets voor. Adriaan Monshouwer, directeur van het nieuwe NFI, onderschrijft zowel de wenselijkheid van de fusie als de bezwaren ertegen. Het Archief en het Atelier willen eerst zien wat het Instituut nu eigenlijk voorstelt. Daar geef ik ze gelijk in. Ik ben zelf ook vreselijk benieuwd.
Tijdens het gesprek wordt de laatste hand gelegd aan de inrichting van de bibliotheek, het prentenkabinet en de drie naast elkaar gelegen expositieruimtes met een wandlengte van 200 meter. De openingstentoonstelling Down Town omvat werk van Nederlandse en buitenlandse fotografen over 'het fascinerende, verleidelijke, gevaarlijke, decadente en bizarre leven in de moderne stad'. Buiten in de Witte de Withstraat zal Hallo Rotterdam! worden opgehangen, foto's van de stad, speciaal gemaakt door veertig Nederlandse fotografen.
In de aanloop naar het instituut heeft Monshouwer - aanvankelijk visual-director bij het weekblad Nieuwe Revu en later directeur van het inmiddels opgeheven Canon Image Centre in Amsterdam - gemerkt dat zijn huidige 'voordeurdelers' niet de enigen zijn die een afwachtende houding innemen. Dat houdt volgens hem vooral verband met de achtergrond van het instituut: de grondslagen werden gelegd door de stichting Perspektief die formeel in het NFi is opgegaan. De verwachting bestond dat we inhoudelijk zouden doorgaan op de lijn van Perspektief en vooral aandacht wilden besteden aan de fotografische avantgarde. Dat is nooit mijn bedoeling geweest. Ik wil aandacht besteden aan álle fotografie: journalistiek, documentair, reclame, mode, kunst. Het programma moet een breed publiek interesseren.
Enigszins onduidelijk is ook de positie die het instituut in de Nederlandse fotografiewereld gaat innemen. Onder veel fotografie-instellingen en -initiatieven bestaat de argwaan dat het NFI straks als doorgeefluik van WVC-beleid en -subsidiegelden gaat fungeren. Die rol ambieer ik niet. Het mag niet zo zijn dat wij de fotografiegelden beheren, maar ik weet dat ik die argwaan alleen op termijn kan wegnemen. Wat we zijn, kunnen we alleen laten zien door wat we doen.
Het NFI zal veertig tot vijftig exposities per jaar presenteren. De nadruk ligt op hedendaagse fotografie. Werk van internationaal gerenommeerde fotografen zal worden afgewisseld met dat van jong talent en met omvangrijke presentaties, zoals die van Sebastiao Salgado's Workers (300 foto's). Daarmee neemt het instituut in Europa een unieke positie in. Dit jaar zijn verder nog tentoonstellingen gepland van de Engelse fotografen Paul Reas en Karin Knorr, de Nederlander Hugo Wilmar, en Nederlandse en Engelse reclamefotografie. Deze activiteit springt weliswaar het meest in het oog, maar een net zo belangrijke taak van het NFI is veel minder zichtbaar: de ontwikkeling van 'de infrastructuur van de fotografie'. Het Instituut staat niet boven de bestaande initiatieven. Maar we onderscheiden ons wel. Geen enkele bestaande foto-instelling heeft zo'n uitgebreid takenpakket, en moet bovendien de ontwikkeling van de fotografie stimuleren. Het instituut is de belangrijkste gesprekspartner van de overheid inzake fotografie. Wij zijn het aangewezen kanaal waarlangs ideeën en wensen van de fotografiewereld kenbaar gemaakt kunnen worden.
Het NFI moet 'het huis van de fotografie' worden, een plek waar fotografen zich thuisvoelen, aldus Monshouwer. De positie van de fotografie en de makers ervan is sinds de begindagen van het medium nauwelijks veranderd. Er moet nog hard gevochten worden om dit medium gestalte te geven, los van het gebruik als kunst, journalistiek of reclame. Fotografie om de fotografie, daar gaat het hier om.
Daarom pleit Monshouwer voor een zelfstandige opleiding voor fotografen, die nog is onderbracht bij kunstacademies, en voor een leerstoel fotografie om verdieping op universitair niveau mogelijk te maken. Voorlopig moet het NFI zich eerst bewijzen: De eerste twee jaar zijn van levensbelang. In 1996 komt het Kunstenplan voor de volgende vier jaar. Dan moeten we onze kwaliteit hebben bewezen en onze groeikansen, zodat de Nederlandse fotografie in het buitenland goed aan bod kan komen.
Voorlopig krijgt het NFI een jaarlijkse WVC-bijdrage van 714.000 gulden en 318.000 gulden plus de huisvesting van de gemeente Rotterdam. Daarmee moeten naast de directeur nog vijf medewerkers worden bekostigd. En alle tentoonstellingen. Monshouwer: Het is buitengewoon sober, maar we kunnen er een behoorlijk instituut mee op de rails zetten. [in: NRC Handelsblad, 28mrt1994]