De familiealbums van bekende fotografen

De Fotomanifestatie Eindhoven toont werk van zowel amateurs als professionals. Het verrassendste onderdeel van de derde editie is de expositie 'Openbaar/Privé', waarin de familie- en vakantie foto's van bekende fotografen te zien zijn. Erwin Olafs theatrale ensceneringen lijken in niets op zijn vakantiekiekjes.

EINDHOVEN, 27 MEI. Hoe bewaart een fotograaf zijn vakantiefoto's? Net als iedereen: in een schoenendoos, zo'n handige mini-ordner van de HEMA of, zoals Erwin Olaf doet, in een plakboek. Op zich niks bijzonders dus, zoals ook zijn foto's in niets te onderscheiden zijn van de gemiddelde vakantiekiek: gebruinde vrolijke gezichten rumoerend boven roodgeblokte tafelkleedjes of banjerend over een mediterraan strand. Het enige verschil is dat deze gemaakt zijn door een fotograaf die vooral bekendheid geniet vanwege zijn tot in de puntjes verzorgde, extravagant geënsceneerde portretten.

Zijn het daarom dan toch bijzondere foto's? Nee. Of ja, een beetje. Want als je er even bij stilstaat is het een klein wonder dat een professioneel fotograaf de onbevangenheid weet te behouden om te fotograferen zonder aandacht te besteden aan compositie, licht en kadrering.

Al is Olaf niet de enige, want ook de overige negen deelnemers aan de tentoonstelling Openbaar/Privé (waaronder Diana Blok, Winfred Evers, Dolf Kruger, Ulay en het duo Wout Berger en Noor Damen) weten een grote onbevangenheid aan de dag te leggen. Maar je zou anders verwachten, en juist die ontdekking maakt de expositie, ondergebracht in een geïmproviseerde ruimte in de voormalige Akademie voor Industriële Vormgeving, tot de verrassendste bijdrage aan de derde editie van de Fotomanifestatie Eindhoven (FME).

De FME, zonder structurele subsidie en met een begroting die schommelt rond de 150.000 gulden, is het lelijke eendje onder de fotomanifestaties. Het programma (verdeeld over 14 locaties plus het onvermijdelijke activiteitenprogramma en wat strooigoed in etalages en cafés) mist de inhoudelijke diepgang van het Groningse Noorderlicht of de frivoliteit van het Naardense festival. Wel besteedt de manifestatie steevast veel aandacht aan de amateurfotografie. Zo is er deze editie een overzicht van de jaarlijkse wedstrijd van de Fotobond, een gezamenlijke expositie van Eindhovense fotoclubs, presentaties van de inzendingen voor de JS Award (een prijs voor veelbelovende jonge amateurfotografen) en de Martien Coppensprijs (voor documentaire fotografie door fotoclubs en cursusgroepen). En al heeft de organisatie daarmee zeker een eigen plek verworven, artistiek valt er ook nu weer weinig eer mee te behalen.

De grootste professionele bijdragen aan de FME zijn te zien in de foyer van het stadhuis en in Museum Kempenland. In het stadhuis hangt werk van de Duitser Wolfgang Zuborn en de Amerikaan Bruce Gilden, gemaakt in opdracht van de Mission Photographique Transmanche, een langjarig documentaire project waarin de veranderingen in de Noord-Franse regio worden vastgelegd. Zuborn maakte gefragmenteerde, telkens uit drie bleke kleurenfoto's samengestelde landschappen, Gilden fotografeerde in de abattoirs en de staalfabrieken. Al valt er op de foto's weinig af te dingen, als geheel geeft hun presentatie gestalte aan de streek noch het project.

Museum Kempenland toont werk van zes stedelijke landschapsfotografen, waaronder Korrie Besems' even lege als stoffige kleurenfoto's van Poolse binnensteden, Jannes Linders' grootformaat zoekplaatjes van de passagiershallen op Schiphol en de afgemeten architectuurfoto's van Luuk Kramer. Het is een weliswaar goed verzorgde maar ook uiterst voorspelbare presentatie want ook nu weer ziet de bebouwde omgeving er in de eerste plaats uit als een droef oord dat maar beter gemeden kan worden.

Nee, dan de huis-, tuin- en keukenfotografie die is opgenomen in Openbaar/Prive: uitgestald in vitrines (een goede keuze die zorgt dat er voldoende afstand ontstaat en niemand zich een voyeur hoeft te voelen) tonen ze levens waar je zo op het eerste, vrolijke gezicht best eens in zou willen stappen.

Zouden er er verbanden te leggen zijn tussen dit private en het professionele werk van de makers, vroegen de samenstellers zich af. Nauwelijks, zo blijkt uit het eveneens in de expositie opgenomen 'vakwerk'. De fotografen die zojuist nog zo recht voor z'n raap in de weer waren, blijken plotseling niets meer aan het toeval te kunnen overlaten, of ze nu kunst maken, reportage of reclame. Olafs theatrale ensceneringen lijken in niets op zijn vakantiekiekjes, Diana Bloks close-ups van blote vrouwenbuiken en -borsten doen hoogdravend aan vergeleken met de aanstekelijke serietjes die ze maakte met haar dollende vriendinnen, Winfred Evers' abstracte fotogrammen ogen kil tegenover de zwoele zwart-witte vrouwenportretten uit zijn albums. Hooguit het verstrijken van de tijd lijkt het verschil wat te kunnen overbruggen, zoals in het geval van de inmiddels 75-jarige Dolf Kruger wiens in de jaren zeventig voor de Nederlandse Spoorwegen gemaakte zwartwit foto's even historisch ogen als die op de pagina's van het voor familiegebruik bestemde boek dat hij met een kopieermachine vervaardigde uit zijn familiefoto's. (Reproducties van enkele pagina's zijn in het kader van de manifestatie ook te zien in galerie Pennings; tevens bracht Kruger een versie van het boek uit op CD-Rom).

Alleen het echtpaar Wout Berger en Noor Damen lijkt van zins de kloof ook in de tegenwoordige tijd te willen dichten. Privé hebben ze een voorliefde voor oude bruine albums en schriftjes, die ze behalve met foto's vullen met bloemblaadjes, kaartjes en frutsels. Op de 'kunstafdeling' van de tentoonstelling brengen ze in tien onhandige, bewogen en als het zo uitkomt verkeerd belichte foto's een hommage aan hun kortgeleden overleden hond: Pablo op het duin, onder de tafel, in het water, tegen de boom. Niet alleen qua onderwerp maar ook qua stijl hadden hun bijdragen gerust van plaats mogen ruilen.